Home » Ich hab in Gottes Herz und Sinn

Ich hab in Gottes Herz und Sinn

Ich hab in Gottes Herz und Sinn (BWV 92) - toelichting

Bach componeerde deze koraalcantate voor de dienst op 28 januari 1725. Voor de tekst nam hij  het gelijknamige lied van Paul Gerhardt uit 1647 als uitgangspunt. In de cantatedelen 1, 4 en 9 is de tekst letterlijk overgenomen. In de delen 2 en 7 gebruikte Bach enkele zinnen uit het oorspronkelijk lied. De dichter van de overige cantateteksten is ons niet bekend.

In het groots opgezette openingsdeel wisselen hobo's en strijkorkest elkaar speels af in een opgewekte 6/8e maatsoort. Hierna introduceren de sopranen de eerste koraalfrase en refereren de overige koorstemmen aan de orkestrale introductiemuziek.

De koraalmelodie is het bekende 'Was mein Gott will, das gescheh allzeit'.

Deze structuur herhaalt zich bij de volgende koraalzinnen.

Het basrecitatief is uitgebreider dan we gewend zijn. Een terugkomend motief in de cellopartij (ritornel) begeleidt de zanger bij de verschillende koraalzinnen. Hiertussen wordt recitatieftekst met uitgebreide klankschilderingen door de cello uitgebeeld. (wilde snelle loopjes bij 'Prasseln und Knallen', golvende motieven bij 'Wassern' en 'Wellen').

In de tenoraria wordt de haast agressieve tekst ('reisst, fällt, bricht' en 'wüten, rasen, krachen') door het strijkorkest passend begeleid met snelle vioolpassages en ritmisch gepunteerde begeleidingsfiguren.

Hierna volgt het rustige altkoraal waarbij de twee hobo's d'amore de vrije melodie voor hun rekening nemen. De kooralten zingen de koraalmelodie.

De tenor wordt in het recitatief begeleid met losse akkoorden door het continuo. Opvallend is dat bij  '(deine Angst und) Qual, dein bitter Kreuz und (Pein)' elke noot een verhogingsteken heeft (een kruis), en ook dat Bach bij het tweemaal gezongen 'Geduld'  de tempoaanduiding 'Adagio' noteert.

Een stormachtige basaria volgt als contrast. Een lage stem, begeleid met de laagste partij uit het orkest. Met enkel rollende, snelle zestiende noten. De wind en de storm razen als het ware om de oren.

Het volgende koraal wordt afgewisseld met vier recitatieven voor solostemmen van laag naar hoog. Een richting die ook uit de teksten naar voor komt ('dein Himmelreich sich in mir zeigen muss').

Het 'neues Lied' uit het sopraanrecitatief klinkt als het ware in de aria voor sopraan, hobo d'amore en strijkorkest. Deze laatste groep tokkelt de snaren aan (pizzicato) waardoor de zangerige lyriek van de hobo en sopraan nog duidelijker tot haar recht kan komen. De dansante 3/8ste maatsoort leidt naar een vredig 'Amen, amen: Vater, nimm mich an!'.

De cantate wordt afgesloten met de slotstrofe van het koraal in een zetting voor koor en orkest.

 

Bestel uw kaarten

Toegangskaarten voor het lopende seizoen kunt u hier bestellen.