Home » Ein feste Burg ist unser Gott

Ein feste Burg ist unser Gott

Toelichting bij cantate BWV 80

Deze cantate is voortgekomen uit BWV 80a ‘Alles, was von Gott geboren' uit 1715 die Bach gecomponeerd had in Weimar. In Leipzig mag Bach deze Oculi-cantate niet uitvoeren in deze periode. Deze partituur is nagenoeg geheel verloren gegaan. In de periode 1728/1731 componeerde Bach een eenvoudiger versie van deze cantate ter gelegenheid van het reformatiefeest(31 oktober). Delen hiervan gebruikte Bach later in de huidige versie van BWV 80.

Na Bach's overlijden heeft zijn zoon Wilhelm Friedemann het openingskoor en deel vijf geïnstrumenteerd met trompet- en paukenpartijen.

De tekst van Luther vinden we in het openingskoor, in de sopraanpartij van deel 2, in het koraal 5 en in het slotkoraal.
Het openingskoor is een waar hoogtepunt in het werk van Bach als het over koraalbewerkingen gaat. De vier koorstemmen bouwen een subliem web van koraalthema's op: steeds begint een stem en deze wordt opgevolgd door de tweede. Als de vier stemmen tenslotte compleet zijn completeren de hobo's eenstemmig en de bas in het orkest na elkaar in canon het fugathema waarna de volgde zin kan beginnen. Deze hoge en lage instrumenten pakken de vocale partijen als het ware in, alsof Bach wil uitdrukken dat God de gehele kosmos omvat.

In aria 2 geeft de bas met een virtuoze partij uitdrukking aan de overwinning met behulp van al wat uit God is voortgekomen. De sopraan versterkt dit gegeven met versierde koraalmotieven en wordt daarin bijgestaan door de hobo. De violen hebben een tumultueuze partij die een ware vechtscene uitbeeldt om hiermee de overwinning kracht bij te zetten. Het volgende basrecitatief verandert halverwege in een doorgaand arioso, waarmee de voorgaande tekst met veel Blut, Kriege, Satan, Lastern, Schuld en Schmerz contrast krijgt als het dan gaat over 'Christi Geist die sich fest verbindet'.

Aria 4 is voor sopraan en continuo. Na de volle en drukke openingsdelen is hier sprake van helderheid en rust. Ook de 12/8e maatsoort draagt bij aan het liefdevolle karakter.
Als voortzetting van het openingskoor volgt koraaldeel 5, nu echter met het koor in eenstemmigheid. Ook het strenge karakter van het openingsdeel is hier vervangen door het lichte metrum van de giguedans. Ook het tenorrecitatief eindigt met een ariosogedeelte, wederom ingegeven door de woorden ‘dein Heiland bleibt dein Hort'. Het alt- en tenorduet vormt met drie instrumentale partijen een prachtig kwintet. Bach varieert met knappe vijfstemmigheid, eenvoudigere homofonie (solisten samen, en hobo en viool samen) en fraaie tekstuitbeelding (lange noten op ‘trägt' en ‘bleibet'). De cantate wordt afgesloten met een koraal voor vierstemmig koor en orkest met de vierde strofe uit het Lutherlied.