Home » Liebster Gott wenn werd ich sterben

Liebster Gott wenn werd ich sterben

Toelichting bij cantate BWV 8

Bach componeerde deze koraalcantate voor de 16e zondag na Trinitatis in 1724. (Zweite Fassung in 1740 met gewijzigde instrumentatie waarschijnlijk als gevolg van beschikbaarheid van andere instrumentalisten)
De teksten van het eerste en laatste cantatedeel zijn letterlijk uit het gelijknamige kerklied van Caspar Neumann (voor 1697). De overige delen zijn bewerkingen van deze liedtekst.
In het openingskoor wordt het uur van de dood voor ogen gesteld. De twee hobo's onderstrepen de bange vraag naar het uur van de dood. De overige instrumenten geven op natuurlijke wijze de klank van doodklokken weer: de violen met demper en de lage tonen kort gespeeld, de dwarsfluit met repeterende extreem hoge noten. De normaalgesproken doorgaande steunende basso continuopartij is ditmaal erg sober: twee noten per maat, gescheiden door een rust. De koraalmelodie wordt voorgedragen door de sopranen. Het eerste aria-recitatief-paar onderstreept de angst voor de dood. Het volgende paar (deel 4 en 5) geeft uitdrukking aan de troost en aan de zekerheid van Gods trouw. De tenoraria gaat met de pizzicato continuo-noten door met de doodsklokken uit het eerste deel. In de tenormelodie laat Bach het laatste uur (‘wenn meine letzte Stunde klingt') klinken als korte nootjes, gescheiden door een rust, alsof de tijd wegtikt. Dezelfde sfeer wordt in het volgende altrecitatief uitgebeeld door strijkorkest dat akkoorden speelt die veel onrust uitdrukken. Er wordt als het ware steeds weer naar een volgend akkoord gevraagd. De toon in de basaria verandert naar majeur en opgewektheid. De maatsoort (12/8) is het ritme van de vrolijke giguedans. Tegenover de bassolo vervult de fluit een virtuoze solorol in het hoge register. Een kort sopraanrecitatief vertelt met grote stelligheid over de onsterfelijkheid van de mens als deze in God de Vader gelooft. De cantate besluit met een koraal voor koor en orkest.