Home » Jesu, der du meine Seele

Jesu, der du meine Seele

Toelichting bij cantate BWV 78

De ons onbekende librettist van deze cantate heeft een liedtekst uit 1641 van Johann Rist als uitgangspunt gebruikt. Bach heeft er voor de 14e zondag na Trinitatis in 1724 een koraalcantate op gecomponeerd.
Het openingskoor heeft de vorm van een passacaglia: een dansvorm waarbij boven een gegeven basthema dat steeds aanwezig blijft, variaties worden gespeeld. In het openingskoor treedt dit thema 27 maal op. (in verschillende hoedanigheden: normaal, achterstevoren (de ‘kreeft') en op de kop (‘omkering'). Dit passacagliathema kennen we uit onder andere cantate ‘Christ lag in Todesbanden' BWV 4, ‘Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen' BWV 12 en het ‘Crucifixus' in de Hohe Messe. De koraalmelodie klinkt in de sopraanpartij, welke versterkt wordt door de hoorn. Het is bijzonder knap hoe Bach het koraal en de passacaglia tot een eenheid weet te smeden.
Heeft het thema in deel 1 een dalend verloop, het begeleidingsthema in het duet laat een stijgende lijn horen, als symbool voor het vinden van Jezus. Het ‘eilen' beluisteren we in de drukke continuobegeleiding, en de coloratuurbeweging van de twee solostemmen die elkaar als het ware achternazitten. Bij ‘erfreulich' schrijft Bach vanzelfsprekend zeer beweeglijke ritmes.
In het tenorrecitatief beeldt Bach de twijfel van de zondaar uit door grote sprongen te maken in de melodie. Het einde van dit recitatief heeft een arioso, de losse begeleidingsakkoorden uit het begin veranderen in een doorgaande baslijn, met een verwijzing naar het passacagliathema uit deel 1. Hierdoor wordt de inhoud van de tekst extra geaccentueerd.
In de volgende aria horen we de afwisseling tussen zwaar (‘meine Schuld') en licht (‘Herze wieder leicht'), in de toonladderfiguur tegenover de staccatofiguren (korte noten) van de fluit.
Het basrecitatief met het strijkorkest vertoont grote gelijkenis met de recitatieven uit Bach's passionen. Bach voegt allerlei aanwijzingen toe: Vivace (levendig), adagio (langzaam), andante (gaande), maar ook, en dat is even uitzonderlijk, een expressieaanduiding: ‘con ardore' (met gloed, ijver). Dit verhoogt de dramatiek. In het slot-andante is in de zangpartij nog de koraalmelodie verwerkt.
De bas-aria tenslotte begint als het ware als een hoboconcert, even later krijgt het solo-instrument er een vocale partner bij. Het strijkorkest zorgt voor de begeleiding. Naast de virtuoze snelle noten, contrasteert op ‘Ewigkeit' de lang aangehouden toon.
De cantate wordt afgesloten met een koraal voor koor en orkest, waarbij het opvalt dat Bach de fluitpartij een octaaf boven de sopraanlijn laat klinken. Dit geeft het geheel een extra glans.