Home » Herr, wie du willt, so schick's mit mir

Herr, wie du willt, so schick's mit mir

Toelichting cantate BWV 73

In 1724, zijn eerste jaar als Thomascantor in Leipzig, componeerde Bach voor de derde zondag na Epiphanias deze cantate. De herkomst van de cantatetekst is onbekend. De evangelielezing voor deze zondag werd wel als leidraad gebruikt. In het openingsdeel valt het op dat naast het gebruikelijke aandeel voor koor en orkest, de solisten (sopraan, tenor en bas) tussen de koordelen door, recitatieven zingen. De koordelen zijn gebaseerd op de koraalmelodie 'Wo Gott der Herr nicht bei uns hält'.

Naast deze opmerkelijke vorm valt een motief op van vier noten, gespeeld door de hoorn. Aan het slot van dit deel blijkt dat deze noten staan voor de tekst 'Herr, wie du willt'. De functie van het continuo is nauw verbonden aan deze hoornpartij ( in de oorspronkelijke partituur staat 'tromba da tirarsi'-schuiftrompet-, in een latere versie door Bach gewijzigd in orgel).

In de aria voor hobo, tenorsolo en basso continuo begint de hobo met het thema, waarop de zanger even later het dalen van de geest van de vreugde in het hart tot uitdrukking brengt. Dit noteert Bach met een dalende melodie. In het middendeel krijgen de woorden 'Hoffnung' (lange toon), en 'zaghaft' (bevreesd) een passende verklanking. Het basrecitatief is een opstapje voor de aansluitende aria voor bassolo en strijkorkest. De woorden 'Herr, so du willt' uit het openingskoor, vormen hier een terugkerend tekstbestanddeel. Het thema, waarmee de solist deze aria begint, vinden we ook terug in de begeleiding van het orkest, soms in hetzelfde ritme als de solist, dan weer eens zo snel. 'Todesschmerzen', 'Seufzer'(zucht) en 'Jammer' worden als vanzelfsprekend door Bach in muziek omgezet met ondermeer dalende melodieën en het gebruik van extra verlagings- tekens (mol). De speelwijze van de violen verandert bij het tekstfragment dat gaat over de doodsklokjes. In plaats van het gebruikelijk bespelen met de strijkstok, worden de snaren aangetokkeld met de vingers (pizzicato). Hierdoor wordt het aanslaan van deze klokjes geïmiteerd. De cantate sluit af met een vierstemmig koraal voor koor en orkest, op de slotfrase van het lied 'von Gott will ich nicht lassen' van Ludwig Helmbold uit 1563.