Home » Alles nur nach Gottes Willen

Alles nur nach Gottes Willen

Toelichting bij cantate BWV 72

Voor 27 januari 1726, de derde zondag na driekoningen, componeerde Bach deze cantate. Hierbij maakte hij gebruik van teksten van Salomon Franck uit diens 'Evangelisches Andachts-Opffer' uit 1715. Deze tekst sluit nauw aan bij het evangelie voor deze zondag: Mattheus 8,1-13 (de genezing van de melaatse, en van de knecht van een officier).
Het openingskoor begint met een instrumentale inleiding waarin de drie orkestgroepen (hobo's, violen en continuo) de verschillende motieven van dit deel exposeren: snelle zestiende noten, die later door het koor worden gezongen op 'alles' om de veelheid ervan uit te drukken, en akkoordblokken op de 1e en 2e tel van de driekwartsmaat, om een andere, statige betekenis te geven aan 'alles'.
De snelle beweging komt tot rust bij het gedeelte 'Gottes Wille soll mich stillen', het gehele orkest begeleidt nu met kwartnoten op de eerste en tweede tel, waardoor de instrumentale stilte op de derde tel aansluit bij de tekst. Hierop volgen als contrast bij 'Gewölk' de drukke zestiende noten.
In het hierop volgend altrecitatief vindt er in maat 5 een overgang plaats in een 'arioso', de losse begeleidingakkoorden uit het begin maken plaats voor een doorgaande begeleiding van de solist, beide partijen vullen elkaar aan als ware het een duet.
Hierop volgt een aria voor altsolo, twee violen en continuo. De alt zet in een levendig tempo (vivace) alleen in, gevolgd door continuo en later door de violen. Contrasten in de tekst, zoals 'Dorn- und Rosenstrassen' beeldt Bach uit in de melodie van de solist: ingewikkelde intervallen in snelle ritmes tegenover milde melodielijnen in rustige beweging.
Dergelijke tegenstellingen horen we ook in het basrecitatief: 'er stärkt' in een hoge, stralende ligging, tegenover 'was schwach': lage ligging, verlaagde toon, en een wrang akkoord.
De sopraan-aria begint met een uitgebreide instrumentale inleiding door hobo en strijkorkest. Na een korte sopraansolo ('mein Jesus will es tun, er will dein Kreuz versüssen'), wordt die gehele inleiding herhaald. Hierna weven vocale en instrumentale lijnen zich in elkaar. De begeleiding komt tot rust bij 'soll es doch sanft und still in seinen Armen ruhn'. Na het naspel door het orkest bevestigt de sopraan nog uitdrukkelijk: 'mein Jesus will es tun'.
De cantate wordt afgesloten door koor en orkest met het koraal 'was mein Gott will', dat Bach even hiervoor had gebruikt in de gelijknamige koraalcantate BWV 111.
Het slotkoraal heeft naast de gebruikelijke 4 koorstemmen nog drie extra 'stemmen' die zelfstandig zijn, namelijk de twee vioolpartijen en de altviool. Hierdoor krijgt de overwinning van Jezus 'und sein Licht' een extra glans.

Ga terug naar de agenda.