Home » Gott ist mein König

Gott ist mein König

Toelichting bij cantate BWV 71

Bach componeerde in 1708 en 1709 cantates voor de gemeenteraadswisselingen van respectievelijk Mühlhausen en Weimar. De enig bewaard gebleven cantate is die uit 1708. Bach is dan 23 jaar jong.
De tekstschrijver van dit op bijbelteksten gebaseerde werk is niet bekend. Het thema van de tekst behandelt de ambtsoverdracht van de oude aan de nieuwe gemeenteraad. Ouderdom en jeugd worden hiervoor als beeld gebruikt.

Opvallend in de deze cantate is de rijke behandeling van het orkest. Bach deelt dit onder in vier groepen: trompetten en pauken, blokfluiten en cello, hobo's en fagot, en tot slot violen, altviool en contrabas. Als vijfde groep treedt het koor op in twee hoedanigheden: als solistenkwartet en als koorgroep. In het openingsdeel komen al deze groepen aan bod, waardoor een uiterst dynamisch geschakeerd klankbeeld wordt opgeroepen. Hierdoor valt het einde van dit deel des te meer op door het uiterst zacht vervliegen van de onbegeleide blokfluiten.

In deel twee zingt de tenor een Samueltekst in combinatie met sopraan die de 6e strofe van 'O Gott, du frommer Gott' zingt. Het volgende deel is binnen de cantates van Bach uitzonderlijk: vierstemmig vocaal door de solisten met enkel continuo-begeleiding. De basaria is gebaseerd op psalm 74 en heeft de voor die tijd al moderne da capo vorm (A-B-A). De afwisseling komt tot uiting in de bezetting van het orkest (blazers in A, cello en orgel in B). De grote sprongen in de basmelodie ('Tag und Nacht') geven de goddelijke macht weer. In de altaria wordt de 'mächtige Kraft' onderstreept door de trompetten en pauken.
Het volgende koordeel is gebaseerd op psalm 74 en geeft de sopraan een indringende declamatie van de openingsregel. Opvallend is de rol van de fagot en de cello, een prachtige begeleidingsfiguur die de tortelduiven lieflijk ondersteunt. In de slotfrase zingt het koor de tekst nog eenmaal eenstemmig, waarbij het hele orkest de begeleidingsfiguur van de cello speelt. Net als in deel 1 komen alle orkest en koorgroepen in het slotdeel in actie. Daarnaast geven de vele tempowisselingen kleur aan dit deel. De slotfuga ('muß täglich von neuen dich, Joseph, erfreuen') begint met de solisten, enkel begeleid door het continuo. En breidt zich uit naar het koor en de rest van het orkest, met tot slot de feestelijke trompetten.
Als contrast sluit Bach de cantate af met de wens 'Glück, Heil und großer Sieg!'. Met weer zoals in deel 1 als laatste pluimpje de blokfluiten.