Home » Wachet! betet! betet! wachet!

Wachet! betet! betet! wachet!

Toelichting bij cantate BWV 70 - voor de 26e zondag na Trinitatis

In 1716 componeert Bach in Weimar de eerste versie van deze cantate op tekst van Salomon Franck. Deze versie kent alleen de koordelen en de aria's. De cantate klinkt dat jaar in de dienst voor de tweede adventszondag. Op 21 november 1723 voegt Bach recitatieven toe (de tekstdichter hiervan is onbekend, misschien Bach zelf wel), en verandert de liturgische bestemming. Ook de tweedeling, wellicht als gevolg van de uitbreiding, is nieuw in deze versie.
In het openingskoor maakt Bach voor het eerst gebruik van een grote vorm: na de inleiding van het orkest volgt de koorinzet, waarbij gedeelten van de instrumentale inleiding terugkeren. Koor en orkest krijgen afwisselend de hoofdaandacht.
In de orkestbezetting is de solorol toebedeeld aan de trompet (met een karakteristieke signaalfunctie), hobo en eerste violen: virtuoze partijen, die voornamelijk bestaan uit snelle zestiende noten. Bij de tekst 'seid bereit allezeit' wordt de begeleiding rustig en treedt het orkest even terug, om bij 'Herrlichkeit' weer in alle hevigheid terug te keren. Na dit tussendeel wordt het begingedeelte van koor en orkest in verkorte vorm herhaald.
In het hierop volgend basrecitatief beeldt het orkest de tekst treffend uit: korte herhaalde noten voor 'erschrekket Sünder', en mildere langere achtste noten bij 'Doch euch, Gotteskinder'. De bassolist bruist van de coloraturen bij 'Freude'.
De eerste aria is voor continuo en altsolo. Het aanvangsmotief van de cello komt regelmatig terug, en de alt gebruikt het begin van dit thema regelmatig. Bij de woorden 'fliehen' en 'Feuer' horen we de betekenis terug in de muziek.
Na een kort tenorrecitatief volgt de tweede aria, waarbij violen en altviolen een solorol vervullen, naast de sopraan. De strijkers spelen dezelfde partij (unisono), en doordat soms tweede en altviolen zwijgen, ontstaan er dynamische contrasten (zacht en sterk).
In het volgend recitatief, voor tenor en continuo, gebruikt Bach een wringend akkoord bij 'böse', en laat de tenor de hoogste noten zingen bij 'himmlisch Eden'.
Het eerste cantatedeel wordt afgesloten met een koraal voor koor en orkest in een dansachtige driekwartsmaat.
Na de preek volgt 'Pars 2' die begint met een tenoraria begeleid door strijkorkest met hobo. Tekst onderdelen worden weer uitgebeeld in de muziek zoals 'hebt empor' met een stijgende melodie, 'seid getrost' met een rustige lange toon.
Hierna volgen twee uiterst dramatische delen voor de bassolo. Allereerst een recitatief begeleid door strijkorkest en trompet, uitbeeldend de dag des oordeels met wervelende vioolpartijen, en een contrasterende koraalmelodie voor de trompet ('Es ist gewisslich an der Zeit'). Zo fel het begin klinkt, zo licht en vreugdevol eindigt dit deel 'so ende ich mit Freuden meinen Lauf'.
Zonder instrumentale inleiding begint de bas aan de rustige aria (molt'adagio) begeleid door het continuo. Met een enorm contrast zet hij het 'presto' (zeer snel): de tekst vraagt erom: 'Schalle, knalle, letzter Schlag': felle strijkers, en wederom de trompet met signaalnoten. De aria eindigt daarna zoals deze was begonnen, in een langzaam tempo voor bassolo en continuo: 'Jesus führet mich zur Stille'.

Bestel uw kaarten

Toegangskaarten voor het lopende seizoen kunt u hier bestellen.