Home » Erfreut euch, ihr Herzen

Erfreut euch, ihr Herzen

Toelichting bij cantate BWV 66

Dit is een zogenaamde parodiecantate, dat wil in dit geval zeggen dat deze cantate gebaseerd is op een wereldlijke cantate gecomponeerd in Köthen in 1718. Onze geestelijke versie liet Bach horen in 1724, 1731 en waarschijnlijk ook in 1735 (het bewijs hiervoor zijn tekstafdrukken in liturgieën uit die tijd). De tekst van de cantate, gebaseerd op Lucas 24,13-35 (de leerlingen van Emmaüs), waarvan de dichter ons onbekend is, gaat over de blijdschap en dank voor de opstanding van Jezus.
Het openingsdeel begint met een jubelende orkestinleiding. De blazers vormen hierin de tegenpartij voor het strijkorkest; toonsoort, maatsoort, tempo en ritmiek zijn de ondersteuning voor de koorinzet ‘Erfreuet euch, ihr Herzen'. Het middendeel in deze da capo-vorm (A-B-A) contrasteert in de meeste van deze elementen: een langzamer andante-tempo, lichte begeleiding door alleen de strijkers, chromatiek en een solistische alt- en baspartij. Na een kort basrecitatief, begeleid door het strijkorkest, volgt de virtuoze bas-aria ‘lasset dem Höchsten ein Danklied erschallen'. Uit de orkestbegeleiding treden de hobo en de eerste viool regelmatig als solisten naar voren.
Het volgende recitatief heeft een opvallende opbouw: recitatief voor tenor, dan een duet voor alt en tenor, en tot slot weer een tenorrecitatief. In het eerste gedeelte worden de aangehaalde woorden van de Heiland met repeterende basnoten begeleid, om de waarde ervan als het ware te onderstrepen. In het duet vertegenwoordigt de alt de angst (‘Kein Auge sieht den Heiland auferweckt') en de tenor de hoop (‘Mein Auge...'). Bach laat beide stemmen met dezelfde melodieën na elkaar (imitatorisch) inzetten.
Ook deel 5 is een duet voor alt en tenor, maar nu is er een fraaie vioolsolo toegevoegd. Een tweede verschil is dat beide stemmen nu niet na elkaar, maar tegelijkertijd (homofoon) zingen. Opvallend is dat de alt in lage ligging met lange notenwaarden ‘ich furchte zwar' zingt, terwijl de tenor ‘ich furchte nicht' in snelle, stijgende motieven zingt. (‘Furchte' is de oudere vorm van ‘fürchte').
De cantate sluit af met de derde strofe van het middeleeuwse paaslied ‘Christ ist erstanden'.