Home » Sehet, welch eine Liebe hat uns der Vater erzeiget

Sehet, welch eine Liebe hat uns der Vater erzeiget

Toelichting bij cantate BWV 64 -Voor de 3de kerstdag

Bach componeerde deze cantate voor zondag 27 december 1723, zijn eerste jaar als Thomascantor te Leipzig.
Opvallend is dat Bach driemaal gebruikt maakt van een koraal, waarvan alleen nr. 2 gebaseerd is op een kerstlied.
Het openingsdeel componeerde Bach in de vorm van een motet, een populaire compositievorm van vocale muziek op kerkelijke tekst, die bloeide tussen 1450 en 1600. Iedere koorstem wordt bijgestaan door een orkestgroep en een van de vier koperen blaasinstrumenten. De continuogroep speelt deels de vocale baslijn mee, en is deels zelfstandig. Dit alles geeft dit deel een ouderwets, streng karakter mee. De aanhef van het hoofdmotief ('Sehet') is duidelijk herkenbaar, ook als alle stemmen door elkaar heen klinken.
Na het eerste koraal volgt het altrecitatief, waarin snelle toonladderfiguren in het continuo de tekst 'Geh, Welt!' kracht bijzetten. Opvallend is dat dit recitatief overgaat in het tweede koraal. Hierin herinnert de doorgaande continuolijn aan de continuofiguren van het recitatief.
De volgende aria is voor sopraan en strijkorkest met continuo. Bach schrijft in een danskarakter van een gavotte, met een virtuoze eerste vioolstem, die ook weer doet denken aan de toonladderfiguren uit het recitatief nr.3. Het geeft hier het opgaan in rook van wereldse zaken weer. Het begin van het B-gedeelte in deze da capo-aria (A-B-A) contrasteert als gevolg van het weglaten van de continuolijn, het fundament van alle barokmuziek. De violen nemen in een hogere ligging deze functie aanvankelijk over. Opvallend is dat de tekst spreekt van 'bleibet fest und ewig stehen'. Juist door het weglaten van het instrumentale basfundament, krijgt deze tekst nog meer uitdrukking.
In basrecitatief nr. 6 wordt er wederom op de tekst gecomponeerd: 'Tod', 'Sünde' en 'Kümmernis' krijgen wrange akkoorden, daarentegen worden 'Gauben', 'Gotteskinder', 'Jesus' en 'Himmel' stralend en mild op toon gezet.
Na een inleiding door de oboe d'amore zingt de alt 'von der Welt verlang ich nichts' hetgeen Bach tot uiting laat komen door het invoegen van korte rusten in het thema. 'Himmel' en 'ewig' krijgen haast vanzelfsprekend lange noten om hun betekenis muzikaal uit te drukken.
De cantate eindigt met een koraalzetting van de vijfde strofe van het lied 'Jesu, meine Freude' uit 1650 van Johann Franck.

Bestel uw kaarten

Toegangskaarten voor het lopende seizoen kunt u hier bestellen.