Home » Nun komm, der Heiden Heiland

Nun komm, der Heiden Heiland

Toelichting bij cantate BWV 62

De tekst voor deze cantate uit 1724 is gebaseerd op een lied uit 1524 van Martin Luther die op zijn beurt de gregoriaanse hymne ‘Veni Redemptor Gentium' als uitgangspunt nam. Van dit 8-strofige lied zijn het eerste en het laatste deel letterlijk overgenomen in het openingskoor en het slotkoraal. De overige delen zijn bewerkt door een ons onbekend gebleven auteur. 
Het openingskoor van deze koraalcantate etaleert de koraalmelodie in de instrumentale inleiding eerst in het continuo en vervolgens, net voor de koorinzet, in de hobopartij in verkorte vorm. In de koorfragmenten horen we de melodie terug in de sopraanstem meegespeeld door de hoorn. Het karakter van de orkestbegeleiding vormt een tegenwicht tegen de ernst van het koraal. Men zou hierin de feestelijke intocht van Jezus in Jeruzalem kunnen horen. In het volgende deel, een aria voor tenor en strijkorkest, is de beweeglijke dansbeweging (een siciliano) te horen. In het basrecitatief (nr. 3) beeldt Bach de tekst treffend uit door de stijgende toonladderfiguur op het woord ‘laufen' en de stralende hoge toon op ‘Glanz'.
Werd aria 2 uitbundig door Bach georkestreerd, bas-aria nr. 4 wordt slechts door één partij ondersteund, namelijk de basso continuo-partij. Met als grote bijzonderheid dat de violen en altviolen deze partij letterlijk meespelen (unisono). Hierdoor wordt het strijdbare karakter van de tekst onderstreept. Contrastrijk volgt een kort duet voor sopraan en alt om dank uit te spreken voor het licht dat geboren is.
De laatste Lutherstrofe is voor koor en orkest in het slotkoraal.