Home » Ich armer Mensch, ich Sündenknecht

Ich armer Mensch, ich Sündenknecht

Toelichting bij cantate BWV 55

Cantate BWV 55 is een bijzondere cantate - het is de enige cantate van J.S. Bach voor tenorsolo en bovendien is alleen de tenor door de componist met slechts één cantate bedacht. Alleen al dit feit maakt het stuk voor een tenorsolist als mijzelf van bijzonder belang.
Bach heeft de cantate gecomponeerd op een tekst die vermoedelijk door Christoph Brinkmann is geschreven. Brinkmann bracht een deel van zijn studietijd door in Leipzig en stond zeker dicht bij Bach, als instrumentalist of als zanger. Pas onlangs is een iets later gedrukte verzameling met anonieme cantateteksten aan hem toegeschreven, waaronder naast de tekst van BWV 55 nog acht andere teksten, alle met een solo- of dialoogstructuur, door Bach in 1726 gebruikt voor zijn cantatecyclus. Interessant is ook dat deze cantate kort na de tweede versie van de Johannes Passion van 1725 is gecomponeerd. Christoph Brinkmann schreef daarin de teksten rond het evangelie.

De tekst van BWV 55 gaat over de gelijkenis van de Schalksknecht [de ‘slechte dienaar' uit Matth. 18: 32], dus met name om de vraag van zonde en vergeving, rechtvaardigheid hier op aarde en voor het aangezicht van God. Dit is ook de thematiek van de reformatie. Het lijkt mij voor Bach een in het algemeen zeer belangrijk thema te zijn, maar het ligt voor de hand dat het in ieder geval een zeer persoonlijk en individueel thema voor ieder mens is!

Over de specifieke omstandigheden rond de compositie van deze cantate zijn mij geen details bekend. Wel is algemeen bekend dat Bach zijn muziek voor de eredienst aanpaste aan de actuele mogelijkheden of beperkingen. Opvallend is dat de tenoraria van cantate 55 een technisch uitdagende opgave is. Bach zal dus een zeer bekwame zanger tot zijn beschikking hebben gehad.

Bach zet zijn muziek altijd onder het woord. De muziek dient om het woord te verduidelijken. Bach wenst dus ook zeker het woord altijd letterlijk verstaanbaar te houden. Als dit in het algemeen geldt, hoe veel te meer zal het dan niet gelden voor deze cantate, deze zo persoonlijke en individuele uiting?
En dit verklaart voor mij ook voortreffelijk waarom Bach de bezetting zo heeft gekozen. In de eerste aria vormt een vijfstemmig instrumentarium samen met de tenor als het ware een sextet. Elke stem is enkelvoudig bezet - ieder staat (ook in leven en sterven) voor zichzelf alleen. Zo blijft de woord-duidelijkheid met een kamermuzikaal klank ideaal bewaard.

De vereiste virtuositeit van elk instrumentalist in dit stuk zie ik als teken voor het tonen van individualiteit en persoonlijk kunnen of vermogen. Maar dit is toch zeker geen inperking, eerder een signaal. Voor mij onderstreept het de gedachte, dat iedereen voor zichzelf verantwoordelijk is en blijft, ook voor zijn eigen inzicht en uiteindelijk voor zijn zelf-verandering. Het einde van de cantate zet een koraal op een tekst die Bach later alleen nog in de Mattheüs-Passion heeft gebruikt. Ook de melodie komt daarin terug. Maar in de cantate is de zetting duidelijk eenvoudiger gehouden. Als de gemeente dit koraal mee mocht zingen, klinkt dan hieruit niet ook het idee dat niemand door al te grote klank van de inhoud moet worden afgeleid, maar dat ieder de kwintessens van deze cantate zich door zijn eigen stem des te beter eigen maakt?

Ook theologisch vind ik zelf deze cantate bijzonder. Zij laat zien hoe er verschillende Godsbeelden zijn - naast het beeld van een strenge, wrekende rechter is er het beeld van een liefdevolle en vergevende vader.
En zij beschrijft onze weg: uit angst via onvermijdelijk inzicht naar de vraag om vergeving tot de reeds op deze aarde door Christus toegezegd genade. In slechts vier korte teksten!

Voor mij persoonlijk is deze cantate dus in vele opzichten een zeer bijzondere cantate - niet in de laatste plaats als muzikaal juweel!

Clemens-C. Löschmann, tenor