Home » Wo soll ich fliehen hin

Wo soll ich fliehen hin

Toelichting bij cantate BWV 5

De cantate uit1724 is gebaseerd op een kerklied uit 1630 van Johann Heermann. De oorspronkelijke melodie en tekst gebruikte Bach in het openingskoor en in het slotkoraal. In de tussenliggende cantatedelen zijn de tekststrofen voor de cantate bewerkt.
Het openingskoor heeft de bekende opbouw waarbij de koraalmelodie wordt gezongen door de sopranen, versterkt door de trompet. De overige koorstemmen ondersteunen deze hoofdstem met beweeglijkere stemmen. Tussen de koorgedeelten speelt het orkest motieven die voortkomen uit deze begeleidende koorstemmen. Het gemeenschappelijke kenmerk van koraalmelodie en begeleidende stemmen is de eenvoudige stijgende opeenvolging van tonen, alsook de omkering hiervan (dalend). Dan volgt het basrecitatief waarbij de tekst wordt ondersteund met losse akkoorden van het basso continuo (cello, bas en orgel). In de tenoraria valt de vloeiende melodie van de soloviool op. Een doorlopende stroom van zestiende noten verbeeldt hier de goddelijke bron. Als de tenor deze loopjes overneemt is zijn tekst ‘ergiesse' en ‘Strömen'. In de as van deze cantate staat het altrecitatief. Zoals gebruikelijk ook nu begeleid met de akkoorden van het continuo. Maar uitzonderlijk is nu dat de koraalmelodie hierboven wordt gespeeld door de hobo. Hiermee slaat de toon van de cantate om van zonden en bloed, naar troost en bescherming door de heiland. Als spiegelbeeld van de eerste drie delen volgt hierna een aria. Met als tempoaanduiding ‘vivace' (levendig) begeleiden strijkers, hobo en een virtuoze trompetpartij de bassolist. Scherp geaccentueerde ritmiek naast de rusten die het 'verstummen' uitbeelden. In het volgende recitatief mag de hoogste stem (de sopraan) de weg naar de hemel bezingen. Hierna besluiten koor en orkest de cantate met een gezamenlijk slotkoraal.