Home » Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen

Ich elender Mensch, wer wird mich erlösen

Toelichting bij cantate BWV 48 - Voor de 19e zondag na Trinitatis

Deze cantate is voor het eerst uitgevoerd op 3 oktober 1723. Het was Bachs eerste jaar in Leipzig als Thomascantor. Er zouden nog 4 andere jaargangen met kerkelijke werken volgen. Daarvan zijn helaas het vierde en vijfde deel niet teruggevonden, dat betekent dat tweevijfde van Bachs cantaterepertoire verloren is gegaan. Bach had zich in Leipzig twee doelen gesteld: ten eerste wilde hij een repertoire creëren, waaruit hij later zou kunnen putten, ten tweede beoogde hij per cantatecyclus de mogelijkheden van het flexibele cantategenre zo ver mogelijk te verkennen, om zijn eigen stempel te kunnen zetten op de muzikale vorm en om, zoals altijd, ook hier grensverleggend te kunnen zijn. (Christoph Wolff: Johann Sebastian Bach).
De tekst voor deze cantate sluit aan bij het evangelie voor bovenstaande zondag: Mattheus 9,1-8, waarin de lamme door Jezus wordt genezen. In het openingsdeel wordt enerzijds de ellende weergegeven met de roep om verlossing, anderzijds klinkt er in de trompet- en hobopartij de koraalmelodie op de wijze van het kerklied 'Herr Jesu Christ, du höchstes Gut'.
Het openingskoor kent drie lagen: de instrumentale inleiding, de vocale laag, en tenslotte de koraalmelodie. Kenmerkend voor de vocale melodie is de toonafstand tussen de eerste twee noten (eerst een kleine sext, naar het einde toe heftiger door een septiem, en tenslotte zelfs met een octaaf) die een beeldende uitwerking is van het woord 'elender'.
De beweging van het continuo (cello, bas en orgel) geeft een fraai beeld van het zoeken grillige en verrassende intervallen, en in de driekwartsmaat een rust op de tweede tel.
Het smartelijke affect wordt voortgezet in het recitatief voor alt, begeleid door het strijkorkest: de tekst laat zich beluisteren als een muzikale strip: met muzikale middelen wordt de tekst uitgedrukt: beeldende intervallen bij 'Schmerz' en 'Elend', lage tonen bij 'Sterbehaus' en 'Grabe', en wringende akkoorden bij 'Gift' en 'Schmerz'.
Er volgt nu een 4-stemmig koraal als afsluiting van de voorafgaande delen.

Met de alt-aria, waarin zanger en hobo een hecht duo vormen, klaart de sfeer helemaal op: de dreiging is verdwenen en maakt plaats voor lieflijke, dansende muziek. De kernwoorden in het tenorrecitatief zijn 'Jesu Kraft', 'gesund' en 'stark'; het verbaast dan niet dat Bach hiervoor een stralende melodie schrijft in een hoge ligging.
De hierop volgende tenor-aria heeft als hoofdkenmerk de afwisselende beweging van driekwartsmaat (1-2-3-1-2-3 en 1-2-3-1-2-3). Het karakter van deze aria sluit aan bij alt-aria nr.4.
De cantate wordt afgesloten met een koraal voor koor en orkest, waarbij de tekst, wederom, voor zich spreekt.

Bestel uw kaarten

Toegangskaarten voor het lopende seizoen kunt u hier bestellen.