Home » Wer sich selbst erhöhet, der soll erniedriget werden

Wer sich selbst erhöhet, der soll erniedriget werden

Toelichting bij cantate BWV 47

De cantate ontstond in Leipzig, op 13 oktober 1726. De tekst voor het grote openingskoor sluit aan bij de slotstrofe van Lucas 14 vers 11. De delen 2 en 3 bekritiseren de hoogmoed op heftige wijze, en deel 4 en het slotkoraal vragen in gebed om deemoed en eeuwige zaligheid.
Het eerste deel opent met een instrumentaal gedeelte waarin de strijkers en de blazers (2 hobo's) elkaar afwisselen. Na 44 maten zet het koor in: tenor, alt, sopraan en bas zetten 9 maten na elkaar in met hetzelfde thema. Hierin laat Bach de melodie stijgen bij "erhöhet" en dalen bij "erniedriget". De hobo's doen in deze fuga ook mee als 5e koorstem. Hierna komt het instrumentale beginthema terug, de vier koorstemmen nu tesamen, begeleidend. Dan volgt er weer een fuga voor de koorstemmen, met een andere volgorde van de inzetten (sopraan, alt, tenor en bas, en als 5e weer de hobo's). Als afsluiting komen de eerste 44 maten terug, maar nu samen met het koor.
De instrumentale solopartij voor aria nr 2 schijnt in de oorspronkelijke 1726-uitvoering voor orgel bedoeld te zijn. In een latere versie maakte Bach een overstap naar de soloviool. U hoort vandaag deze tweede versie. Een milde vloeiende melodie geeft de deemoed van de ware christen weer. Na dit gedeelte verandert de sfeer drastisch: de arrogantie (Hoffahrt) wordt met ritmisch gemarkeerde dubbelgrepen op de viool weergegeven. Ook de basso-continuolijn wordt grilliger, d.w.z. snellere notenwaarden en grote sprongen. Na dit B-gedeelte wordt het A-gedeelte herhaald (= da capo). Het recitatief nr 3 voor basstem wordt begeleid door het strijkorkest. De begeleiding staat ten dienste van de tekstexpressie.
Bas-aria nr 4 is voor soloviool, hobo, bas-solist en basso continuo. De twee instrumentale solisten imiteren elkaar veelvuldig. Het openingsmotief van de viool keert terug in het thema van de vocale solist. Het tweede gedeelte van deze driedelige aria, waarin sprake is van hoogmoed, vertoont overeenkomsten met het arrogantie-deel uit de sopraan-aria.
De cantate eindigt met de 11e strofe van het lied "Warum betrübst du dich, mein Herz" (omstreeks 1560).