Home » Schauet doch und sehet, ob irgend ein Schmerz sei

Schauet doch und sehet, ob irgend ein Schmerz sei

Toelichting bij cantate BWV 46

Bach componeert cantate 46 voor de tiende zondag na Trinitatis, waarbij het Lucasverhaal vertelt over Jezus' verkondiging van de vernietiging van Jeruzalem en het verdrijven van de handelaren uit de tempel.
De eerste uitvoering vindt plaats op 1 augustus 1723 als Bach zijn eerste jaar in Leipzig als Thomascantor doorbrengt.
Het openingskoor is een groots opgezet klaaglied, waarbij een vers uit de klaagliederen van Jeremia als uitgangspunt dient (Jer.1,12). De structuur van dit deel is tweedelig. Het eerste deel is opvallend sterk tekstgebonden (maat- en woordaccenten vallen samen: ‘schauet' en ‘sehet' staan op de zware eerste tel van de maat) en de betekenis van woorden wordt uitgedrukt in de melodie (dissonanten met halve toonafstanden op ‘Schmerz' en ‘Jammer').
Het tweede deel (‘denn der Herr') heeft als tempoaanduiding ‘un poc'allegro' (een weinig snel) en is fugatisch (de vier koorstemmen hebben hetzelfde thema en zetten na elkaar in; er ontstaat een weefsel van vier zelfstandige melodieën door en met elkaar). Blokfluiten en hobo da caccia's in het orkest maken de klankkleur ongekend rijk. Dat Bach een bijzondere band had met deze cantate mag blijken uit het feit dat hij dit openingskoor later opnam in de Hohe Messe als ‘Qui tollis peccata mundi'-deel. In het tenorrecitatief gaat het klagen onverminderd door. Lange strijkerakkoorden begeleiden de twee blokfluiten die de beken met tranen uitbeelden. In aria 3 staat de trompet voor de goddelijke hoogheid en geeft het strijkorkest in haar dalende toonladderfiguren uiting aan de dreigende noodweer en de bliksem van de wraak. De bassolist laat een staaltje vocale virtuositeit horen met lange, snelle coloraturen om uiting te geven aan de ‘Strahl' die eindelijk inslaat.
Na een kort altrecitatief volgt de tweede aria. Domineerde in de eerste aria de trompet, nu doen dat de blokfluiten. En na de wraak, gezongen door de bas, zingt de altstem over de onschuld van de vrome mensen. Opvallend in deze aria is het ontbreken van de continuo-baspartij. Hiervoor in de plaats spelen de twee hobo's da caccia de begeleiding van de twee blokfluiten.
Het slotkoraal is niet zoals gebruikelijk een doorgaande vierstemmige koor- en orkestzetting van een koraalmelodie. Hier zijn tussen de zinnen korte tussenspelen voor de twee blokfluiten gecomponeerd. De genade van God, ook voor de zondaars, wordt op deze wijze op een bijna letterlijke manier ‘stralend' verklankt. De fluitpartij in deze tussenspelen toont grote overeenkomst met de partij uit het openingskoor. Hierdoor ontstaat een fraaie eenheid in de cantate.