Home » Schwingt freudig euch empor

Schwingt freudig euch empor

Toelichting bij cantate BWV 36

De première van deze cantate vond plaats op de eerste zondag van Advent in 1731. Het openingskoor en de aria's had Bach al in 1725 gecomponeerd voor een wereldlijke cantate met dezelfde titel (BWV 36c) ter gelegenheid van de verjaardag van een leraar. Later hergebruikte Bach deze gelegenheidsmuziek nog tweemaal (BWV 36a en 36b). De laatste versie werd weer omgewerkt in een geestelijke kerkcantate voor de eerste adventszondag. 

Deel I

In het openingsdeel wordt Jezus' intocht in Jeruzalem weergegeven: in een opgewekt tempo spelen de strijkinstrumenten een kort versieringsmotief tegen een langere melodie van de hobo's. Het koor heeft twee thema's: bij ‘schwingt freudig euch empor' zetten de vier koorgroepen na elkaar in en bij ‘doch haltet ein' zingen de koorgroepen tegelijkertijd in hetzelfde ritme. Dit laatste om uiting te geven aan de tekst ‘der Schall darf sich weit entfernen'. In het volgende koraalduet komt de koraalmelodie naast de solostemmen ook voor in het begeleidend continuo. De twee hobo's dubbelen de zangstemmen. De tenoraria en het slotkoraal van het eerste deel bezingen beide het beeld van de bruidegom, oftewel de intocht in Jeruzalem. In de aria gebruikt Bach de solohobo met een golvende melodie en een dansende 3/8ste maatsoort. Kenmerkend bij het koraal is de zetting van ‘singet, springet': muzikaal worden deze woorden beklemtoond door het gebruik van langere notenwaarden.

Deel II

In de inleiding van de bas-aria echoot het thema van het continuo naar de violen. Opvallend hierbij is de uitgesproken virtuoze eerste vioolpartij, waardoor er bijna sprake kan zijn van een duet van de bassolist met de eerste viool. Contrastrijk volgt nu een koraalbewerking voor tenor, twee hobo's en continuo: de toonsoort slaat om naar mineur, de zangpartij zingt de koraalmelodie in lange noten en de twee hobo's strijden met elkaar met vlugge noten, om uiting te geven aan de verschillende elementen uit de tekst (Gods ‘Sieg' tegenover het menselijke ‘krank Fleisch'). Hierna werkt de mildheid van de sopraanaria des te meer: een vloeiende 12/8ste maat en de soloviool. De tekst inspireerde Bach waarschijnlijk tot deze intimiteit. In het middendeel van deze da capo-aria (A-B-A) horen we de echo van de sopraan (‘denn schallet..') in de vioolpartij. In het slotkoraal bevestigen koor en orkest de lofzang van de gehele christengemeenschap tot God.