Home » Wer weiss, wie nahe mir mein Ende

Wer weiss, wie nahe mir mein Ende

Toelichting bij cantate BWV 27 - voor de 16e zondag na Trinitatis

Evangelie: Lucas 7, 11-17 (opwekking van de jongeman uit Naïn)
De onbekende dichter stelt het afscheid van het aardse bestaan centraal in deze in 1726 gecomponeerde cantate.
Het openingskoor heeft als uitgangspunt een koraal dat door het koor in delen wordt voorgedragen. Hiertussen heeft Bach recitatiefgedeelten voor de sopraan, alt en tenor geplaatst. Het strijkorkest begeleidt met een regelmatige, dalende beweging de expressieve melodieën van de hobo's. De sopraanpartij in de koorfragmenten wordt versterkt door een trompet.
In het tenorrecitatief (nr. 2) wordt de dood gezien als doel van het leven. Bach gebruikt hoge noten voor 'mein Leben' en 'denn: Ende gut', en contrasteert met laagte in 'selig sterben' en 'zum Grabe'.
Hierna volgt een bijzondere aria voor altsolo, hobo da caccia, basso continuo en obligaat (solo)-klavecimbel of orgel. Er zijn zowel orgel- als klavecimbelpartijen bewaard gebleven, dus er valt niet met zekerheid vast te stellen welke van de twee versies Bach's voorkeur heeft gehad. Vandaag hoort u de orgelversie. Een opgewekte aria met coloraturen in de 3 solopartijen om aan te geven dat er geen angst bestaat om te sterven: 'willkommen'.
Het sopraanrecitatief heeft een geheel andere sfeer. Meteen al bij de inzet van solist en strijkorkest wordt dit duidelijk gemaakt: 'Achgeeft meteen een klagend affect weer. Bij 'Flügel her' versterkt de eerste vioolpartij de opwaartse beweging door een snelle, stijgende toonladderfiguur te spelen.
Hierna volgt een fraaie bas-aria met strijkorkest. De tekstcontrasten 'gute Nacht' en 'du Weltgetümmel' zijn duidelijk waarneembaar in Bach's muziek: een rustige openingsmelodie in mineur, afgewisseld met drukke, repeterende zestiende noten worden in de instrumentale inleiding reeds geëxposeerd.
Opvallend wordt de cantate niet afgesloten met een Bachkoraal, maar met een koraal van Johann Rosenmüller's hand. Zijn we van Bach een 4-stemmig gezongen en gespeelde versie gewend te horen, Rosenmüller (1619-1684), aanvankelijk begonnen te Leipzig, later het grootste deel van zijn loopbaan in Italië vervolgt, verdubbelt de sopraanpartij. Door deze 5-stemmige zetting ontstaat een rijke, volle koorklank, die zeker als de maatsoort aan het slot ook nog overgaat in een driedeligheid, het hemelse leven prijst.

Bestel uw kaarten

Toegangskaarten voor het lopende seizoen kunt u hier bestellen.