Home » Ich hatte viel Bekümmernis

Ich hatte viel Bekümmernis

Toelichting bij cantate BWV 21

Over de ontstaansgeschiedenis van deze cantate heerst veel onzekerheid, we weten echter uit een aantekening van Bach zelf dat de cantate voor het eerst klonk op de derde zondag na Trinitatis in 1714. Uit aantekeningen blijkt dat Bach de cantate hierna nog meerdere malen heeft uitgevoerd. Hierbij veranderde hij zaken zoals toonsoort, solisten- en orkestbezetting.
Vandaag hoort u de laatstbekende versie, namelijk die uit Leipzig uit 1723. Bach maakt voor de tekst van het tweede deelgebruik van psalm 94, voor deel 6 van psalm 42, deel 9 komt uit psalm 119, en deel 11 is gebaseerd op Openbaringen 5, 12-13. In de delen 7 en 8, waarschijnlijk gedichten van Salomon Franck, zien we tweegesprekken tussen Jezus en de ziel. De gehele cantatetekst sluit het meest aan bij het epistel voor de derde zondag na Trinitatis, namelijk de eerste brief van Petrus, hoofdstuk 5, verzen 6 tot en met 11 (Schuift al uw zorgen op Hem af, want Hij heeft zorg voor u).
In de openingssinfonia vervullen de hobo en de eerste viool een solorol in een langzaam, instrumentaal deel. In deel 2 is de hoofdrol weggelegd voor het koor. Na een doorlopende opeenvolging van de koorstemmen volgt een gezamenlijk 'aber', waarna in een sneller tempo (vivace) het 'erquiken' wordt vormgegeven.
Als we overige koordelen bekijken (de delen 6, 9 en 11) dan valt op dat Bach gekozen heeft voor in zijn tijd bijna ouderwetse muziekvormen, o.a. de fuga en het motet.
Daarentegen belichamen de aria's en recitatieven het 'moderne' principe: op onnavolgbare wijze vlecht Bach tekst, melodie en harmonie in elkaar. In tenoraria 5 laat Bach de vloed van tranen beeldend stromen in het strijkorkest, waarna storm en golven wild tekeergaan in een snel 'allegro'.
Het tweede deel van de cantate ('nach der Predigt', nr.7) is een dialoog tussen de sopraan en de bas (als ziel en Jezus). Het licht tegenover de nacht, waarover de ziel spreekt, geeft Bach weer door een stijgende toonladder in majeur in de vioolbegeleiding, tegenover een plotselinge lage ligging van de strijkersbegeleiding.
In tenoraria 10 weerklinkt de vreugde van de van ellende verloste ziel.
De cantate besluit na het basrecitatief (Romeinenbrief 14;17) met een koraal voor koor en orkest. Bach maakt hiervoor gebruik van de derde strofe van het lied 'Nun lob, mein Seel, den Herren' uit 1530 van Johann Gramann.

Bestel uw kaarten

Toegangskaarten voor het lopende seizoen kunt u hier bestellen.