Home » Ach Gott, vom Himmel sieh darein

Ach Gott, vom Himmel sieh darein

Toelichting bij cantate BWV 2

Deze koraalcantate schreef Bach in 1724 voor de tweede zondag na trinitatis. De tekst is gebaseerd op Martin Luthers versie van psalm 12, waarin de klacht wordt weergegeven over het afkeren van de mens, van God.
Het openingskoor heeft de klassieke vorm van een cantus-firmusmotet: de hoofdmelodie wordt in lange notenwaarden gezongen, hier door de altstem, de overige 3 koorstemmen zetten na elkaar in met dezelfde melodie in kortere notenwaarden. De instrumenten uit het orkest spelen de koorstemmen letterlijk mee (colla parte), met uitzondering van de baspartij, deze heeft, los van de koorbassen, een zelfstandige basso continuopartij.
In het tenorrecitatief worden twee tekstgedeelten die uit het koraal afkomstig zijn aangegeven met 'adagio': in tegenstelling tot de gebruikelijke losse begeleidingsakkoorden laat Bach hierbij de instrumentale baslijn in een eigen ritme meelopen (arioso).
In de altaria 'Tilg, o Gott, die Lehren' maakt Bach gebruik van de 'moderne' concertante stijl: de soloviool beweegt zich in een virtuoze lijn, afwisselend alleen, of samen met de altsolist. Deze citeert in het middendeel 'trotz dem der uns will meiden' een fragment uit de derde strofe van de koraalmelodie.
Het basrecitatief is een 'recitativo accompagnato': het wordt door het strijkorkest begeleid. Opvallend hierbij is de tegenstelling in de tekst van het eerste en het tweede gedeelte, muzikaal maakt Bach gebruik van het arioso bij het tweede gedeelte ('Darum spricht Gott:..). Hierdoor wordt het tekstcontrast ('angstlich Klagen','Kreuz und Not' aan de ene kant, en 'heller Sonnenschein' en 'mein heilsam Wort' aan de andere) ook muzikaal uitgedrukt.
De laatste aria 'durchs Feuer wird das Silber rein' is voor tenor en strijkorkest met hobo. De opbouw van de muzikale zinnen is zeer regelmatig: telkens groepen van 4 of 2 maten die een eenheid vormen. Het middendeel van de aria ('Drum soll ein Christ...'), waarin de solist enkel wordt begeleid door het continuo, eindigt in een adagiotempo, om extra betekenis te geven aan: 'in Kreuz und Not geduldig sein'. Daarna wordt het eerste deel herhaald (da capo).
De laatste koraalstrofe horen we in het slotdeel van de cantate, waarin koor en orkest in vierstemmigheid samengaan.