Home » Ich ruf' zu dir, Herr Jesu Christ

Ich ruf' zu dir, Herr Jesu Christ

Toelichting bij cantate BWV 177

Deze in 1732 gecomponeerde cantate voor de 4e zondag na Trinitatis, bestaat uit vijf delen. Als tekst koos Bach het gelijknamige lied van Johann Agricola, gedateerd omstreeks 1530. De eerste en laatste strofen worden gebruikt als koordelen, de overige drie voor aria's. Er zijn geen recitatieven. Een dergelijke cantate die gebaseerd is op een bestaand kerklied, noemt men een koraalcantate.
In het openingskoor horen we het lied terug in de sopraanpartij van het koor. Deze melodie, in negen fragmenten verdeeld, wordt ondersteund door de overige koorstemmen en afgewisseld met instrumentale gedeelten. Opvallend in de orkestbezetting is, dat naast het gebruikelijke basso continuo, strijkorkest en de hobo's er een solorol aan de eerste violist is toebedeeld. De lang aangehouden toon in de hobopartij drukt het ‘rufen' uit. In de volgende drie aria's breidt de instrumentatie zich steeds verder uit. De alt-aria is met continuo, de sopraan-aria met hobo en continuo, en tot slot begeleiden de soloviool, de solofagot (erg ongebruikelijk) en het continuo de tenor in de laatste aria. De herkenbaarheid van de koraalmelodie wordt gedurende het verloop van de aria's steeds minder. Opvallende elementen in het tweede vers (alt-aria) zijn onder ander de gelijkwaardigheid tussen zangpartij en de begeleiding en de lang aangehouden tonen op ‘vertrauen' en ‘ewig'. Het derde vers (sopraan-aria) staat in een dansante 6/8 maatsoort. De dreiging door het ‘Unglück' wordt tot uitdrukking gebracht in de chromatische (halve toonafstanden) stijgende baspartij. In de tenor-aria wisselt de toonsoort Bes-majeur (opgewekt) af met g-mineur (droefheid) in juist dat gedeelte met de tekst ‘die uns errett' vom Sterben'. De aria eindigt met een herhaling van de eerste twaalf maten. In de eerste helft van het slotkoraal gebruikt Bach tal van versieringstechnieken, zowel ritmisch als melodisch, die dit koraal een bijzondere bekoring geven.