Home » Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir

Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir

Toelichting bij cantate BWV 131

Als Bach nog organist is te Mühlhausen, 1707-1708, componeert hij deze, wellicht eerste, cantate met het volgende naschrift: "Auff Begehren Tit: Herrn D: Georg Christ: Eilmars in die Music gebracht von Joh. Seb. Bach Org. Molhusino".
Eilmar was de geestelijke van de Marienkirche en iemand met veel interesse voor de cantate-uitvoeringen.
De tekst is gebaseerd op psalm 130, en de twee koraalmelodieën in deze doorgecomponeerde cantate (de delen gaan in elkaar over) haalde Bach uit de 2e en 5e strofe van "Herr Jesu Christ, du höchstes Gut", een kerklied uit 1588 van Bartolomäus Ringwaldt. De opbouw van de cantate is symmetrisch, drie koordelen, waarvan het middelste wordt omgeven door twee solodelen met een koraalstrofe.
Het openingsdeel begint met een instrumentaal ‘adagio': een langzame inleiding waarbij de hobo en de vioolpartij afwisselend de melodie hebben die we later terug zullen horen in het koor. Opvallend in de bezetting van het orkest is het ontbreken van een tweede vioolpartij en de toevoeging van een tweede altvioolpartij. Dit geeft de orkestklank een donkerder timbre, hetgeen goed aansluit bij de tekst.
Na deze langzame inleiding volgt het snelle (vivace) "Herr, höre meine Stimme". Het woord "Flehens" wordt passend uitgedrukt met een zgn. Seufzer-figuur, een muzikale zucht: een hoofdnoot wordt kort voorafgegaan door een halve toon hoger klinkende noot. Deze figuur laat Bach ook afwisselend tussen koor en orkest klinken. Aansluitend volgt de bassolo ("So du willt") begeleid door slechts basso continuo en hobo. De koraalmelodie wordt in fragmenten boven de bassolo gezongen door de koorsopranen. Tekstuitdrukking in de solopartij vinden we bij "bestehen" (lange noten), en "fürchte" (snelle zestiende nootjes). Hierna volgt het koor-middendeel: net zoals bij de opening beginnend met een langzame inleiding van 5 maten ("Ich harre des Herrn"), waarna in een breed tempo "Meine Seele harret" volgt. Hobo en strijkorkest begeleiden de koorstemmen. De volgende tenorsolo wordt, contrasterend met het koordeel, alleen begeleid door het continuo. De 12/8-maatsoort geeft de muziek een doorgaande, bijna dansachtige beweging. De extra koraallijn wordt gezongen door de kooralten. De eerder opgemerkte langzaam/snel-opbouw zien we ook in het slotdeel: "Israel" als akkoordblokken in een adagio, en "hoffe auf dem Herrn" in een poc'allegro. Ook "Denn bei dem Herrn ist die Gnade" is weer een adagio, met een fraaie solohobo, gevolgd door een allegro "Und viel Erlösung bei ihm", waarbij de orkestbegeleiding zeer levendig is. Hierna volgt het achtste psalmvers in een fuga-vorm, de 4 koorstemmen zetten na elkaar in met het thema. Deze fuga (ook overgeleverd als orgelfuga) begint met koor en continuo, later komen de violen, hobo en altviolen erbij, om virtuoos tot de afsluiting te komen met 3 maten adagio: "aus allen meinen Sünden".