Home » Das neugeborne Kindelein

Das neugeborne Kindelein

Toelichting bij cantate BWV 122

Deze cantate is gecomponeerd voor de zondag na kerstmis, en heeft geen directe relatie met de evangelielezingen voor deze dag. Als basis voor deze koraalcantate gebruikte Bach een lied uit 1597 van Cyriakus Schnegass. In dit lied worden kerstmis en Nieuwjaar samen gevierd. Dit lied is in de cantate verwerkt in het openingskoor, in de altpartij van het terzet, en in het slotkoraal.
Het openingskoor maakt als gevolg van de vrolijke tekst en de driedelige maatsoort een levendige indruk De koorgedeelten, waarbij de sopranen de koraalmelodie zingen, worden afgewisseld met instrumentale tussenspelen. De thematiek van het orkest is niet gekoppeld aan die van het koor. Zelfs bij de begeleiding van de koorstemmen zijn de instrumentale partijen onafhankelijk. Dit verandert in de loop van het deel, dan gaan de orkeststemmen steeds meer, en in de laatste strofe zelfs helemaal letterlijk, de koorstemmen meespelen. De basaria vormt een contrast met het openingskoor door de lage instrumentatie (basstem en continuo), de mineurtoonsoort, en de tekst die nu de boete tegenover de vreugde stelt. Overigens worden deze vreugde en de jubel door de bassolist door stralende coloraturen weergegeven. Het volgende recitatief is voor sopraan en drie bolkfluiten en continuo. Begon de vorige aria met ‘O Menschen', nu is de keuze voor de hoge instrumentatie meteen duidelijk:'die Engel'. De blokfluiten spelen nu het koraal, dat de sopranen in het openingskoor zongen. Na deze uitersten van hoog en laag, en licht en donker, wordt in het volgende terzet de hoofdrol vervuld door de middenstem (altstem, versterkt met de violen) die de koraalmelodie (bekend uit openingskoor en blokfluiten in het sopraanrecitatief) zingt. De continuopartij bestaat uit een thema van zes maten dat gedurende deze aria steeds wordt herhaald. Bach gebruikte voor dit thema het zgn. Siciliano-ritme (lang-kort-lang) in een driedelige maatsoort. In het volgende recitatief treedt de bas uit de schaduw van aria nr. 2. Begeleid door het strijkorkest is nu de toon van de tekst een uitbundige lofzang: ‘O sel'ge Zeit', ‘O Glaube', ‘O Liebe', ‘O Freudigkeit'. Deze vrolijkheid wordt voortgezet in het slotkoraal. ‘Frisch auf! Jetzt ist es Singens Zeit'.