Home » Lobet Gott in seinen Reichen

Lobet Gott in seinen Reichen

Toelichting bij cantate BWV 11

Waarschijnlijk heeft Bach in 1735 naast dit Himmelfahrts Oratorium ook het Weihnachts Oratorium gecomponeerd. Evenals in de kerstmuziek is niet alle muziek nieuw, maar putte Bach bij het openingskoor en de beide aria's uit eerder werk.
Het groots opgezette openingskoor schreef Bach in 1732 ter gelegenheid van de inwijding van de Thomasschool onder de titel: ‘Froher Tag, verlangte Stunden'. De lofzang wordt uitbundig ondersteund door trompetten, pauken, fluiten, hobo's, strijkorkest en basso-continuo. De virtuoze koordelen worden afgewisseld met kleurrijk geïnstrumenteerde tussenspelen. Hierna volgt een kort recitatief op een Lukas-tekst door de evangelist (tenor). Het volgende recitatief is voor bassolo begeleid door twee dwarsfluiten. De dalende toonladderfiguren beelden de tranen uit waarover de tekst spreekt. De eerste aria is voor altsolo met unisono violen. De muziek kennen we als het Agnus Dei uit de Hohe Messe. Beide zijn een parodie op een wereldlijke cantate. En Bach zou Bach niet zijn als wij de eenheid tussen tekst en muziek ook hier weer als oorspronkelijk ervaren. Na een kort recitatief door de evangelist, waarin de melodie stijgt bij de tekst over de Hemelvaart en laag is bij zitten aan de rechterhand van de Vader, horen we een koraal voor koor en orkest. Naast de sopraanmelodie in driekwartsmaat is in de drie overige partijen de ritmische variatie opvallend. Beide elementen geven hiermee een levendigheid weer. Het hierop volgend recitatief begint met de twee mannen die Jezus' hemelvaart aanschouwen. Het tweede gedeelte is voor alt en twee fluiten, waarin gevraagd wordt om een spoedige terugkeer. Het recitatief eindigt dan met de mededeling dat de liefde van Jezus achterblijft als teken van de hoop. De tweede aria in dit oratorium is voor twee fluiten unisono, een hobo, sopraansolo en zeer opvallend ditmaal geen basso-continuo, maar de violen en altviolen éénstemmig als doorgaande begeleidingspartij. Een indrukwekkend instrumentaal trio, waarbij zich later de sopraanstem voegt. Deze vier midden- en hoogklinkende groepen laten ons als het ware de blik omhoog richten. De aardse zwaarte met de lage begeleidingsinstrumenten is achtergelaten. Het slotkoraal tenslotte is van orkestrale glans en pracht, met een uitgebreide inleiding waarin trompetten, fluiten, hobo's en strijkinstrumenten in afwisseling en samen, een uiterst feestelijke opmaat geven tot de koorfrasen op de koraalmelodie ‘Von Gott will ich nicht lassen'.